D’r zijn drie zekerheden in het amateurvoetbal: de derde helft duurt langer dan de tweede, de scheids is altijd tegen je, en niemand heet gewoon “Jan”. Nee joh, Jan heet bij ons gewoon “De Blaffer”. En wil je weten waarom? Dan moet je effe dat stuk lezen over z’n knie – Jantje’s knie laat los, maar z’n humor niet.
FC Utrecht Oldstars “Jantje’s Knie Laat Los, Maar Z’n Humor Niet”! – TreenertRib.nl
Of – als je echt pech heb gehad vroeger – dan heet je gewoon “Paardenlul”. Wen d’r maar aan. Welkom bij de Oldstars van FC Utrecht!
“Speer” dan. Ja, die was ooit snel. In 1998, met wind mee en een broodje bal achter de kiezen. Maar vergis je niet: nog steeds de beste van het stel. En eerlijk is eerlijk: z’n bijnaam had net zo goed “De Wasmachine” kennen zijn, want draaien kan die als de beste.
“Koekie” is universeel. Elke club heeft d’r één. Wij, dus ook!
“Bitterbal”? Die is er vooral ná de wedstrijd. Altijd als eerste bij de schaal, alsof-ie contractueel verplicht is.
“Eggie” is dan weer zo’n liefhebber. Staat altijd klaar voor iedereen.
En ja hoor, ook bij ons: “De Perenplukker”.
We hebben ook nog een ex-professioneel danser rondlopen. Officieel heet-ie Ben, maar niemand die dat nog zegt. Tegenwoordig is het gewoon “Barry” – van Stevens ja. Als-ie een goal heeft gemaakt, verwacht je eigenlijk dat-ie eindigt met een pirouette en applaus vanaf de zijkant.
En toen kwam ineens Gert Kruys het honk binnenwandelen. Die keek z’n ogen uit en dacht dat het een 1 aprilgrap was. Zag-ie daar toch gewoon Johan Derksen zitten. Dacht-ie. Maar nee hoor, gewoon Ben uit Wijk. Maar ja, vanaf dat moment heet-ie dus “Johan”. Snor hetzelfde, kapsel hetzelfde en kan schrijven als de beste zelfs nog beter als de echte Johan!
De commissie bijnamen – onder leiding van “De Bommenlegger” – zit trouwens nooit stil. D’r komen nog meer parels aan, let maar op.
Want we hebben ze hoor:
“De Kapstok” – hangt er altijd bij. Doet weinig. Maar haal ‘m weg en de hele kleedkamer stort in.
“De Postbode” – bezorgt alles netjes… bij de tegenstander.
“De Stofzuiger” – pakt alles op het middenveld, maar z’n zak is te klein.
“De Verkeersregelaar” – armen omhoog, wijzen, schreeuwen… niemand die weet waarom.
“De Dakkapel” – sterk in de lucht, maar ja… bij walking football zijn hoge ballen verboden. Moet de trainer nog effe uitleggen. En stagiaires? Die krijgen geen bijnaam, eerst presteren.
“De Magnetron” – wordt warm als het moet… maar meestal te laat. Komt ook uit Leusden en zit vaker op Tinder dan op tijd tijdens de bespreking
“De Tuinslang” – altijd in de knoop. Ook zonder bal trouwens.
“Zoetemelk” – voor PH. Mag niet meer op de fiets van z’n vrouw zonder helm naar een teamuitje! Ja, dán vraag je erom.
Het mooie is: een bijnaam krijg je niet, die verdien je. Soms door één actie – hallo “Open Doel”. Soms door een heel seizoen – dag “Eigen Goal”. En soms door één opmerking in de kleedkamer waar net effe te hard om wordt gelachen. En dan is het klaar. Je doopnaam kan linea recta de prullenbak in.
Dus koester ze, die namen. “De Blaffer”, “Speer”, “Koekie”, “Eggie”, “Barry”, “Johan”, “De Perenplukker”… en ja, ook gewoon “Paardenlul”.
Want als de benen het niet meer doen, de adem piept en de stand allang vergeten is, blijft er altijd één ding over:
Die ene gozer langs de lijn die net effe te hard roept: “Hé paardenlul, je staat vrij!”
En Paardenlul?
Die staat nóóit vrij. Maar hij heet wel Paardenlul.
Rib